datje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dat·je
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord datje datjes

Zelfstandig naamwoord

datje o dim. tant.

  1. een kleine hoeveelheid weinig opzienbarende informatie
    • Ik heb even een datje over mezelf geschreven. 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • ditjes en datjes
kleine wetenswaardigheden

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.