dalle

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Een voorraad dalles.
Uitspraak
Woordafbreking
  • dal·le
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dalle dalles
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dalle v

  1. (bouwkunde) plat, rechthoekig stuk beton, gebruikt als plaveisel
     Dan hebben we het nog niet gehad over het boren van gaten in de vloer: iemand al eens geprobeerd om een gat van diameter >200mm te boren in een dalle bestaand uit 16 cm Echo welfsels met daarop een dubbel gewapende druklaag van 7 cm?[1]
Synoniemen
Opmerkingen

Gangbaarheid

  • Het woord 'dalle' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
  • frequentie in teksten in het Nederlands uit België, op een 7-puntsschaal: [2]
        1
  • frequentie in teksten uit België, vergeleken met die in Nederland, op een 7-puntsschaal: [2]
        1

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 3 juli 2022 Weblink bron Roover reactie #59 (26 januari 2009), bouwinfo.be in: oekene2009 Wie heeft spijt bij zijn hout- of metaalskeletbouw? (25 januari 2009)
  2. 2,0 2,1 2,2 Ludo Permentier & Rik Schutz “Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen” (2015), Davidsfonds, Leuven, ISBN 9789059086517, dalle


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

dalle v

  1. verhard wegdek, plaveisel
  2. (spreektaal) noppes, niks
    «Que dalle
    Niks en niemendal! [1]
  3. (spreektaal) trek, honger
    «Là-bas dansent des chacals, poussés par la dalle
    Daar dansen de jakhalzen, gedreven door de honger.
    «J'ai la dalle
    Ik verrek van de trek, ik rammel van de honger. [1]
  4. (spreektaal) strot, keel [1]

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
dallar

dalle

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van dallar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van dallar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van dallar