dabberen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dab·be·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dabberen
dabberde
gedabberd
zwak -d volledig

Werkwoord

dabberen

  1. inergatief wroetende of stampende beweging maken op een onvaste bodem
     Uit het slijk steken roestige skeletten van vliegtuigen, waarin en waaromheen modderige kinderen spelen. Op sommige plaatsen staan grote plassen water waar de kleinsten in rond dabberen.[4]
     Doch, Argus, 't is vergeefs in al dit vuil te dabberen.[5]
  2. inergatief (Jiddisch-Hebreeuws) praten, spreken, bidden
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. dabberen op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 6 juni 2020 Weblink bron Kees Simhoffer “Een geile gifkikker.” (1973), Paris-Manteau, Amsterdam / Brussel, ISBN 90 223 0363 2, p. 154 op Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 6 juni 2020 Weblink bron Jacob Campo Weyerman op Wikipedia “De Rotterdamsche Hermes. no. 3” (1908; origineel: 20 september 1720), Huis aan de drie grachten, Amsterdam, ISBN 906388141X, p. 10