délégué

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dé·lé·gué
enkelvoud meervoud
naamwoord délégué délégués
verkleinwoord délégueetje délégueetjes

Zelfstandig naamwoord

délégué m

  1. (beroep) afgevaardigde, gedelegeerde

Gangbaarheid

24 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.