décrocher
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| décrocher |
décrochais |
décroché |
| eerste groep | volledig | |
décrocher
- van een haak halen
- (de telefoon) opnemen
- (spreektaal) in de wacht slepen
- «Julie a décroché une chambre en cité U.»
- Julie heeft een kamer op de campus weten te bemachtigen. [1]
- «Julie a décroché une chambre en cité U.»
- (spreektaal) er de brui aan geven, afhaken [1]
- (spreektaal) afkicken [1]