déboutonner
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| déboutonner |
déboutonnais |
déboutonné |
| eerste groep | volledig | |
déboutonner
- overgankelijk losknopen [1]; een kledingsstuk losmaken door een knoop uit het knoopsgat te duwen
se déboutonner
- wederkerend (spreektaal) zijn hart luchten [1]