Naar inhoud springen

débarquer

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
débarquer
débarquais
débarqué
eerste groep volledig

débarquer

  1. onovergankelijk ontschepen [1]; aan land gaan (van personen)
  2. onovergankelijk (spreektaal) uit de lucht komen vallen, komen aanwaaien
    «Les flics ont débarqué dans la zone pour arrêter ce dealer.»
    De smerissen verschenen opeens in de wijk om die dealer te arresteren. [1]
  3. onovergankelijk (spreektaal) verhuizen
    «Marceline a débarqué à Marseille.»
    Marceline is naar Marseille verhuisd. [1]
  4. overgankelijk ontschepen [2]; van schip laten gaan (van goederen of personen)
  5. overgankelijk (spreektaal) op straat zetten, ontslaan, lozen
    «Bertrand a été débarqué de sa fonction.»
    Bertrand is uit zijn functie gezet. [1]