Naar inhoud springen

cyclus

Uit WikiWoordenboek
  • cy·clus
  • van Latijn cyclus, in de betekenis van ‘kring, reeks’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord cyclus cyclussen, cycli
verkleinwoord cyclusje cyclusjes

decyclusm

  1. terugkerende, regelmatige reeks
     Lawrie was heel snel met een liefdesverklaring gekomen, maar begreep hij ook echt wie ik was? Ik kon me niet voorstellen dat ik me ooit zo op iemand zou storten; het gevoel dat al je moleculen opnieuw afgestemd werden; de pure, meerlaagse vreugde van gezien en aanbeden worden, en op jouw beurt de ander aanbidden, bij elke nieuwe stap de cyclus van verlegenheid naar zelfvertrouwen.[3]
     Ook tegen dit doodmaken, al was het dan de eerste keer, zag hij niet bijzonder op; het was een onvermijdelijke consequentie, de bestaansreden zelfs, van het leven waarvoor hij was voorbestemd, de winkel van zijn vader, de eetpatronen in dit deel van de wereld - kortom: van de cyclus van leven en dood die al tienduizenden jaren bestond en waarvan alles erop wees dat die nog tienduizenden jaren zou voortbestaan.[4]
97 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]