cyclus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cy·clus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord cyclus cyclussen, cycli
verkleinwoord cyclusje cyclusjes

Zelfstandig naamwoord

cyclus m

  1. een terugkerende, regelmatige reeks
    Zomer, herfst, winter en lente vormden de cyclus van het jaar.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie