cyclus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cy·clus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kring, reeks’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord cyclus cyclussen, cycli
verkleinwoord cyclusje cyclusjes

Zelfstandig naamwoord

cyclus m

  1. een terugkerende, regelmatige reeks
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen