cursorisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cur·so·risch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen cursorisch cursorischer
verbogen cursorische cursorischere
partitief cursorisch cursorischers -

Bijvoeglijk naamwoord

cursorisch

  1. vluchtig, oppervlakkig
  2. doorlopend
  3. van onderwijs: dat men de stof in afzonderlijke delen aanbiedt

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be