cumul

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cu·mul
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Franse cumul.
enkelvoud meervoud
naamwoord cumul cumuls
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

cumul v

  1. (Vlaanderen) het afleggen van alle vakken van twee academiejaren in één jaar
    • Cumul is pas mogelijk indien men in het vorige academiejaar goed gepresteerd heeft. 
  2. (Vlaanderen), (politiek) het gelijktijdig vervullen van verscheidene ambten door één persoon
    • Een veel gehoorde kritiek op de cumul van politieke functies is de mogelijke belangenverstrengeling. 
  3. (Vlaanderen) het gelijktijdig uitoefenen van verscheidene banen of functies door één persoon
    • Door zijn cumul van allerlei functies is onze directeur nooit te bereiken. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

23 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.