culmineren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cul·mi·ne·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zijn toppunt bereiken’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • met het achtervoegsel -eren[2]

Werkwoord

culmineren [3]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
culmineren
culmineerde
geculmineerd
zwak -d volledig
  1. uiteindelijk resulteren in
    • Feyenoord-coach Giovanni van Bronckhorst en aanvoerder Dirk Kuijt hebben veel invloed gehad op het aanstaande kampioenschap. „Hij is het cement in het team.” Dirk Kuijt en Giovanni van Bronckhorst, in hun onbewustheid sloten ze een ongeschreven alliantie. Een groots verbond, culminerend in een titel voor de eeuwigheid.[4] 
  2. het bereiken van het hoogtepunt, climax of toppunt
  3. (astronomie) het doorsnijden van de meridiaan door een hemellichaam
Vertalingen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen