crossloop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

crossloop
Uitspraak
Woordafbreking
  • cross·loop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord crossloop crosslopen
verkleinwoord crossloopje crossloopjes

Zelfstandig naamwoord

crossloop m

  1. hardloopwedstrijd over (deels) onverharde wegen
    • Ruim 550 atleten namen zaterdag deel aan de derde editie van de Brix CRM Crossloop van AV Rijssen. De wedstrijd maakt deel uit van de crosscompetitie van het Oosten, die bestaat uit vijf wedstrijden in Rijssen, Nijverdal, Holten, Vriezenveen en Goor. [1] 
    • Een dag eerder was Danny Koppelman de sterkste bij de 1e Lageveldloop. Deze crossloop kent een nieuwe formule en gaat steeds over andere (en langere) afstanden. De deelnemers moesten nu 5 Engelse Mijl, ruim acht kilometer, afleggen. Koppelman deed dit in een tijd van 29:00. Daarmee had hij een lichte voorsprong op Nijverdaller Mark Saathof, die 14 tellen meer nodig had. Werner Wessels uit Markelo completeerde de top drie in 30:14. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Tubantia Han Haveman 12-11-17 Smalbrugge en Koppelman winnen in Rijssen
  2. Tubantia Erik Lentfert 03-12-17 Koelma winnaar 33e Snertloop