creperen

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cre·pe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘sterven’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • afgeleid van het Franse crever met het achtervoegsel -eren [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
creperen
crepeerde
gecrepeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

creperen

  1. (informeel) vergaan van, hevig lijden
  2. ergatief (informeel) versmachten, omkomen door gebrek
  3. overgankelijk touperen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen