correspondeerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cor·res·pon·deer·de

Werkwoord

vervoeging van
corresponderen

correspondeerde

  1. enkelvoud verleden tijd van corresponderen
    • Ik correspondeerde. 
    • Jij correspondeerde. 
    • Hij, zij, het correspondeerde.