coquille

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • co·quil·le
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord coquille coquilles
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

coquille v/m [2]

  1. (voeding) vlees van de sint-jakobsschelp
    • Niet iedereen weet dat deze schelpen, ook wel coquilles genoemd, net als oesters levend worden bereid. ,,Dit zijn verse coquilles, die in Noorwegen met de hand worden verzameld op de zeebodem’’, zegt chefkok Thijs Meliefste. ,,Als ze gesneden worden, dan vertonen ze bij de sluitspier stuiptrekkingen. Ingrediënten die zo vers zijn dat ze nog bewegen, dat vind ik dit het mooiste wat er is. Hier ga ik echt van watertanden.’’ [3] 
    • Bij een glas lekkere witte Chardonnay bestuderen we een overzicht dat bescheiden keuze biedt. Voor 6,50 euro hebben we keus uit coquilles met rauwe ham, carpaccio met truffel en gerookte zalm waarbij mierikswortel. [4] 
    • Dijkema vervolgt terwijl hij de laatste hand legt aan de coquille die zo geserveerd moet worden: ,,Roy en ik hebben het hele kerstmenu opgesteld, de receptuur bedacht, kostprijsberekeningen gemaakt, bestellingen gedaan en voorbereidingen getroffen." [5] 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen