convoceerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·vo·ceer·de

Werkwoord

vervoeging van
convoceren

convoceerde

  1. enkelvoud verleden tijd van convoceren
    • Ik convoceerde. 
    • Jij convoceerde. 
    • Hij, zij, het convoceerde.