converteerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ver·teer·de

Werkwoord

vervoeging van
converteren

converteerde

  1. enkelvoud verleden tijd van converteren
    • Ik converteerde. 
    • Jij converteerde. 
    • Hij, zij, het converteerde.