conveniëren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ve·nië·ren, con·ve·ni·eren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gelegen komen’ voor het eerst aangetroffen in 1650 [1]
  • afgeleid van het Latijnse venire met het voorvoegsel con- [2]
  • afgeleid van het Franse convenir (schikken, bevallen, overeenstemmen) (met het voorvoegsel con- en met het achtervoegsel -eren)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
conveniëren
convenieerde
geconvenieerd
zwak -d volledig

Werkwoord

conveniëren [3]

  1. absoluut passen, gelegen komen, schikken
  2. overgankelijk bijeenroepen
    • De Gouverneur-Generaal en Raden van Indiën kunnen in het civile voor gene andere Regtbank in Indiën worden geconvenieerd dan voor het Hoge-Geregtshof. [4]  
  3. overgankelijk (juridisch) overeenkomen
    • En is eindelijk nog goedgevonden en geconvenieerd dat nopens 't geen waar over bij deze conventie niet speciaal is verdragen een ijder der beide heeren contractanten zal zijn ...[5] 

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. "conveniëren" in: Sijs, N. van der Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen. 2e druk (2002) Veen, Amsterdam / Antwerpen; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. conveniëren op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Neêrlands Indië deel 8. 1864
  5. Handvesten, privilegien, vrijheden, voorregten, octrooijen enz. der stad Dordrecht. Pieter Hendrik van de Wall 1790