conveniëren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ve·nië·ren, con·ve·ni·eren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
conveniëren
convenieerde
geconvenieerd
zwak -d volledig

Werkwoord

conveniëren [2]

  1. absoluut passen, gelegen komen, schikken
  2. overgankelijk bijeenroepen
    • De Gouverneur-Generaal en Raden van Indiën kunnen in het civile voor gene andere Regtbank in Indiën worden geconvenieerd dan voor het Hoge-Geregtshof. [3]  
  3. overgankelijk (juridisch) overeenkomen
    • En is eindelijk nog goedgevonden en geconvenieerd dat nopens 't geen waar over bij deze conventie niet speciaal is verdragen een ijder der beide heeren contractanten zal zijn ...[4] 

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders
73 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Neêrlands Indië deel 8. 1864
  4. Handvesten, privilegien, vrijheden, voorregten, octrooijen enz. der stad Dordrecht. Pieter Hendrik van de Wall 1790