consument

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·su·ment
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verbruiker’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord consument consumenten
verkleinwoord consumentje consumentjes

Zelfstandig naamwoord

consument m

  1. (economie) algemene term voor personen, huishoudens die goederen en diensten verbruiken die worden geproduceerd in de economie
    • De consument merkt weinig van de daling van de olieprijzen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen