construire
Uiterlijk
- Geluid: construire (hulp, bestand)
- IPA: /kɔ̃s.tʁɥiʁ/
- geleend van Klassiek Latijn construere [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| construire |
construisais |
construit |
| derde groep | volledig | |
- overgankelijk (bouwkunde) bouwen [1]
- overgankelijk construeren [1]
- overgankelijk uitwerken
- overgankelijk (wiskunde) construeren [2]
- overgankelijk (taalkunde) construeren [5]
- ↑ construire (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.