construeerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·stru·eer·de

Werkwoord

vervoeging van
construeren

construeerde

  1. enkelvoud verleden tijd van construeren
    • Ik construeerde. 
    • Jij construeerde. 
    • Hij, zij, het construeerde.