constateren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·sta·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
constateren
constateerde
geconstateerd
zwak -d volledig

Werkwoord

constateren

  1. overgankelijk vaststellen
    • Ik moet constateren dat jullie nog niet echt voortgang geboekt hebben... 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen