conservatief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ser·va·tief
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘behoudend’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • afgeleid van conservatie (met het voorvoegsel con-) met het achtervoegsel -ief
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen conservatief conservatiever conservatiefst
verbogen conservatieve conservatievere conservatiefste
partitief conservatiefs conservatievers -

Bijvoeglijk naamwoord

conservatief

  1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde, het nieuwe wantrouwen
    • De keuze om gewoon met pen en papier de notulen vast te leggen was conservatief. 
    • Oudere mensen zijn vaker conservatief dan jongeren. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord conservatief conservatieven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

conservatief m

  1. aanhanger van een conservatieve partij

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen