conjugeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ju·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
conjugeren
conjugeerde
geconjugeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

conjugeren

  1. (taalkunde) de vervoegde vormen van een werkwoord vormen
    • Hoe conjugeer je het werkwoord "être" ook al weer?. 
  2. (logica) uit twee ware uitspraken een derde vormen


Gangbaarheid

Verwijzingen