Naar inhoud springen

conjugaal

Uit WikiWoordenboek
  • con·ju·gaal
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen conjugaalconjugalerconjugaalst
verbogen conjugaleconjugalereconjugaalste
partitief conjugaalsconjugalers-

conjugaal

  1. betrekking hebbend op het huwelijk
    • Ik hoor er ook nog iets anders in dat mij bij Bellman zo dierbaar is, en dat is de liefde, de aandacht voor vrouwen. Dat is ook wat mij ontroert in het onderwerp van dit Epistel: de conjugale liefde, de tederheid voor de vrouw van die dode ruziemaker L¨ofberg: 'din maka' (jouw wederhelft) - nu is ook zij dood, je kunt er alleen nog maar op terugkijken, vanuit je graf in het gras. Voorbij, voorbij. Hartverscheurend. [4] 
53 %van de Nederlanders;
84 %van de Vlamingen.[5]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. conjugaal op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 3 april 2022 Weblink bron
    I.M. Calisch, N.S. Calisch
    “Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal”, beschouwd als 1e druk van Van Dale (1864), H.C.A. Campagne, Tiel, p. 232
  4. NRC Rudy Kousbroek 25 september 1998 Zo wordt dan je levensgezellin te ruste gelegd; De hemelse liederen van Michael Bellman
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be