Naar inhoud springen

confluent

Uit WikiWoordenboek
confluente rivieren
  • con·flu·ent
stellend
onverbogen confluent
verbogen confluente
partitief confluents

confluent

  1. op één punt samenkomend
51 %van de Nederlanders;
72 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   confluent confluents
  vrouwelijk   confluente confluentes

confluent

  1. confluent, samenvloeiend, samensmeltend
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  confluent     le confluent     confluents     les confluents  

confluent m

  1. (aardrijkskunde) samenvloeiing [1]
  2. (figuurlijk) samenvloeiing [2], samensmelting, ontmoeting
vervoeging van
confluer

confluent

  1. derde persoon meervoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van confluer
  2. derde persoon meervoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van confluer