confisqueren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
confisqueren confisquerend
confiscatie geconfisqueerd
- confiscabel
Uitspraak
Woordafbreking
  • con·fis·que·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verbeurdverklaren’ voor het eerst aangetroffen in 1467 [1]
  • afgeleid van het Franse confisquer (met het voorvoegsel con- en met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
confisqueren
confisqueerde
geconfisqueerd
zwak -d volledig

Werkwoord

confisqueren

  1. overgankelijk (juridisch) van staatswege in beslag nemen
    • De grove winsten van de drugshandelaar werden geconfisqueerd. 
     Gelukkig werd er alleen wiet gevonden, dat wel geconfisqueerd werd maar waar verder geen straffen voor werden uitgedeeld.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen