confirmeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·fir·me·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
confirmeren
confirmeerde
geconfirmeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

confirmeren (overgankelijk)

  1. (handel) (schriftelijk) bevestigen, bekrachtigen
  2. bevestigen, opnemen als lidmaat in een protestantse kerk
  3. vormen, inzegenen in de rooms-katholieke kerk
    confirmeren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl