concilie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ci·lie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kerkvergadering’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • afgeleid van het Latijnse 'calāre' (samenroepen) met het voorvoegsel con- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord concilie concilies
conciliën
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

concilie o [3]

  1. vergadering van kerkelijke ambtsdragers, voornamelijk bisschoppen, onder leiding van de paus
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
conciliar

concilie

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van conciliar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van conciliar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van conciliar