concerteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·cer·te·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

concerteren [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
concerteren
concerteerde
geconcerteerd
zwak -d volledig
  1. het geven van een muzikale uitvoering
    • Tijdens dat concert kwam bij haar de gedachte op dat het geweldig zou zijn als ook Mardi le Vingt op dit podium zou kunnen staan. Eén van de bestuursleden nam, na het koor gepolst te hebben, contact op met de directeur Muziek van de San Paolo. Uiteindelijk leidden de telefoongesprekken en de e-mails tot het maken van de afspraak dat het koor er in 2013 zal concerteren. [3] 
    • Al moet Lang Lang wel nog even wennen aan het feit dat hij niet ongebreideld drie uur kan concerteren. [4] 
    • Door de ongeïnspireerde taferelen op de bühne wordt de zangeres, die nog altijd teert op de enorme successen die ze vooral in de jaren 90 kende, op sociale media neergesabeld. Gekscherend ‘roemen’ mensen haar ‘zeer energiezuinige’ manier van concerteren. [5] 
  2. overleggen
Synoniemen

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Verwijzingen