compromis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·pro·mis
enkelvoud meervoud
naamwoord compromis compromis
compromissen
verkleinwoord compromistje
compromisje
compromistjes
compromisjes

Zelfstandig naamwoord

compromis o

  1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen om tot een voor allen aanvaardbare oplossing te komen
    - De partijen hebben een compromis gesloten.
    - Tijdens de coalitieonderhandelingen moesten beide partijen water in de wijn doen om tot een compromis te kunnen komen.
    - Het zichtbaarste gevolg is dat politici het compromis nu al decennia omschrijven als moetje. Het kan niet anders. We hebben geen keus. Het is nu eenmaal ons systeem. Zo is de intrinsieke meerwaarde van het compromis volledig uit het politieke discours verdwenen. Nooit zegt een politicus nog dat onze hele cultuur erop is gebouwd dat tegenspraak een voorbode van samenspraak is. Dat ideeëncompetitie tot betere ideeën leidt. Dat we onze beschaving danken aan het feit dat burgers bereid waren iets van hun eigenbelang in te leveren om het grote geheel te verbeteren.[1]
Schrijfwijzen
  • De uitspraak van dit woord varieert; sommigen spreken de laatste lettergreep uit als [-mɪs], anderen als [-mi]. In het laatste geval is het verkleinwoord "compromistje" met als uitspraak [-micə] juist. Velen zeggen echter [-mɪsʲə] dat beter gespeld kan worden als "compromisje".
Synoniemen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • een compromis zoeken
  • een compromis vinden
  • een compromis bereiken
  • een compromis sluiten
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. NRC Tom-Jan Meeus 4 juni 2016