comprimé

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·pri·mé
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord comprimé comprimés
verkleinwoord comprimeetje comprimeetjes

Zelfstandig naamwoord

comprimé m

  1. (medisch) pil van samengeperst poeder
    • Zelfs tijdens het eten of het drinken van liters cola blijft deze comprimé "een rots in de branding". [1]
    • Is het gewoon maar een flauwte? Op de tong van Gregoria laat mama een blauwig comprimé vallen. We kunnen de comprimé buitengewoon snel zien smelten. Heel gauw is de poederachtige hoedanigheid van de comprimé vochtig, doorweekt geworden, verliest hij zijn ronde vorm, begint er een papachtig medicament zich over de tong van Gregoria uit te spreiden. Gregoria moet proberen haar mond te sluiten, fluistert mama; ze moet trachten het medicament doorgeslikt te krijgen. [2]

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen


Frans

Werkwoord

comprimé

  1. voltooid deelwoord (participe passé) van comprimer