componeerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·po·neer·de

Werkwoord

vervoeging van
componeren

componeerde

  1. enkelvoud verleden tijd van componeren
    • Ik componeerde. 
    • Jij componeerde. 
    • Hij, zij, het componeerde.