compactheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·pact·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord compactheid compactheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

compactheid v

  1. de eigenschap van iets dat het een (relatief) kleine omvang heeft
     De organiserende stad kan er voor kiezen om een aantal sporten naar andere steden of zelfs naar een ander land te verplaatsen. "De compactheid van de Spelen moet worden afgewogen tegen het voordeel van bestaande accommodaties", stelt John Coates. De vice-voorzitter van het IOC benadrukt daarmee het belang van duurzaamheid.[1]
  2. het samengedrongen en daardoor stevig zijn
     Groot pluspunt voor de trainer van Feyenoord was de compactheid waarmee zijn team speelde. "We hebben op die ene misser na niks weggegeven. Het elftal stond stukken beter dan de vorige keer."[2]
  3. (bouwkunde) de mate waarin de verhouding inhoud / oppervlak groter is
     Tegelijkertijd is volgens mij de compactheid van het Apple-ringgebouw niet zo best en dat zal het bedrijf gaan merken in de primaire energievraag. Dat kan door hernieuwbare energie wel weer worden gecompenseerd, al vind ik het beter om onnodige vraag te voorkomen."[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 20 november 2021 Weblink bron “IOC is akkoord: Spelen worden goedkoper” (08-12-2014), NOS
  2. Bronlink geraadpleegd op 20 november 2021 Weblink bron “Van Bronckhorst ziet één misser: maar wel een heel dure” (21-02-2016), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 20 november 2021 Weblink bron Nando Kasteleijn “Apples 'ruimteschip': een marketingmachine van 5 miljard” (12-09-2017), NOS