communiceren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·mu·ni·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
communiceren
communiceerde
gecommuniceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

communiceren [2]

  1. inergatief (religie) ter communie gaan, de heilige communie ontvangen of uitreiken
    • Zij communiceerde elke ochtend tijdens de vroegmis. 
  2. inergatief door middel van communicatie met elkaar in contact komen
    • Het is niet gemakkelijk om in een vreemde taal te communiceren. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen