commies
Uiterlijk
- com·mies
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘middelbare ambtenaar’ voor het eerst aangetroffen in 1534 [1]
- afgeleid van het Franse commis of het Latijnse werkwoord 'mittere' (plaatsen, zenden) (met het voorvoegsel com-) [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | commies | commiezen |
| verkleinwoord | - | - |
- (beroep) titel van bepaalde ambtenaren of beambten in overheidsdienst in het bijzonder grensbeambte
de commies mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord commie
- Het woord commies staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "commies" herkend door:
| 45 % | van de Nederlanders; |
| 34 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "commies" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ commies op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Voorvoegsel com- in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Beroep in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 45 %
- Prevalentie Vlaanderen 34 %