colporteur
Uiterlijk
- Geluid: colporteur (hulp, bestand)
- IPA: / kɔlpɔr'tør / (3 lettergrepen)
- col·por·teur
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verkoper langs huis’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
- Naamwoord van handeling van colporteren met het achtervoegsel -eur [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | colporteur | colporteurs |
| verkleinwoord | colporteurtje | colporteurtjes |
- (beroep) iemand die colporteert
- mannelijke vorm van colporteuse
- mannelijke vorm van colportrice
- Het woord colporteur staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "colporteur" herkend door:
| 83 % | van de Nederlanders; |
| 54 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "colporteur" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ colporteur op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -eur in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Beroep in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 83 %
- Prevalentie Vlaanderen 54 %