collaps

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • col·laps
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘plotselinge stoornis in bloedcirculatie’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • van het Latijnse 'collapsus', verl. deelw. van collabi (met het voorvoegsel col-) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord collaps collapsen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

collaps m [3]

  1. (medisch) flauwvallen
Vertalingen

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.

Verwijzingen