cocon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • co·con
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘omhulsel van rupsen’ voor het eerst aangetroffen in 1872 [1]
  • afgeleid van het Franse cocon [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord cocon cocons
verkleinwoord coconnetje coconnetjes

Zelfstandig naamwoord

cocon m

  1. (zoötomie) Verpakking van poppen, de overgangsvorm tussen larve en volwassen insect.
    • Zijde wordt gemaakt van de cocon van de zijdevlinder 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen