coördineren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • co·or·di·ne·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘afstemmen’ voor het eerst aangetroffen in 1658 [1]
  • afgeleid van het Franse coordonner (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
coördineren
coördineerde
gecoördineerd
zwak -d volledig

Werkwoord

coördineren

  1. overgankelijk zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
    • Hij coördineert het buurtwerk al ruim tien jaar. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen