coöperant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • coö·pe·rant, co·ope·rant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord coöperant coöperanten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

coöperant m

  1. iemand die coöpereert (meewerkt)

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be