coïncideren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • co·in·ci·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
coïncideren
coïncideerde
gecoïncideerd
zwak -d volledig

Werkwoord

coïncideren

  1. (onovergankelijk) samenvallen in ruimte of tijd
    Zijn aftreden coïncideerde met het optreden van een zware aardbeving.
  2. (overgankelijk) het samenvallen in ruimte of tijd vaststellen
    Samen vormen deze oscilloscopen - ongeacht hun plaats op de aarde - één grote detector doordat de signalen gecoïncideerd kunnen worden.
Vertalingen