classicus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • clas·si·cus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord classicus classici
verkleinwoord classicusje classicusjes

Zelfstandig naamwoord

classicus m

  1. (beroep) een beoefenaar van de klassieke talen
    • De classicus had veel kennis van puntdichten in het Latijn. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie