Naar inhoud springen

claquer

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
claquer
claquais
claqué
eerste groep volledig

claquer

  1. (spreektaal) de pijp uit gaan, het loodje leggen
    «Le vieux du troisième, il a claqué juste devant ma porte.»
    Die ouwe van de derde verdieping is precies voor mijn deur de pijp uitgegaan. [1]
  2. (spreektaal) verspillen, verbrassen
    «J’ai claqué toute ma thune à la foire du vin.»
    Ik heb al mijn poen opgemaakt op de wijnbeurs. [1]
  3. (spreektaal) indruk maken, mooi zijn
    «Il claque trop bien ton nouveau cuir!»
    Staat echt goed, je nieuwe leren pak! [1]
  4. (spreektaal) slaan, meppen
    «J’vais la claquer cette salope, si elle continue à tourner autour de mon mec.»
    Dat pokkenwijf krijgt een klap van me als ze bij mijn vent blijft hangen. [1]