civilist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ci·vi·list
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord civilist civilisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

civilist m [1]

  1. (juridisch) jurist gespecialiseerd in het burgerlijk recht
    • Hij richt zich op strafzaken, in die tijd gezien als „in hoge mate intellectueel inferieur vergeleken met het civiele recht”, aldus Haenen. De civilisten noemen hun collega’s neerbuigend ’strafrechtboeren’. Moszkowicz ontdekt dat er genoeg cliënten zijn die kunnen en willen betalen voor bijstand in strafzaken. [2] 
    • Jaarlijks worden in de regio Amsterdam gemiddeld zes à zeven advocaten van het tableau geschrapt. Nu gaat het om een civilist, recent ging het ook om strafadvocaten. [3] 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Verwijzingen