cito

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Cito

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ci·to
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

cito

  1. met spoed, voortvarend zonder enig uitstel
    • Natuurlijk liet ik cito weten dat ik graag naar de Linnaeushof kwam zodra mijn verhuizing achter de rug was. [2]
    1. op poststukken, om aan te geven dat zij zo snel mogelijk bezorgd moeten worden
Afgeleide begrippen
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
41 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Latijn

Bijwoord

cito

  1. gauw


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
citar

cito

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van citar