cipres

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

cipressen
Uitspraak
Woordafbreking
  • ci·pres
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘naaldboom’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord cipres cipressen
verkleinwoord cipresje cipresjes

Zelfstandig naamwoord

cipres m [3]

  1. slanke naaldboom uit het gebied rond de Middellandse Zee een soort conifeer
    • „De familie wist niet wat ze in handen had. En verder is het toeval. Een buurman adviseerde om het schetsboek aan een deskundige voor te leggen. Dat was Franck Baille, oprichter van een veilinghuis in Monaco. Hij nam drie jaar geleden contact met mij op en liet me een tekening van een cipres zien. Ik geloofde mijn ogen niet: een Van Gogh, een onbekende tekening van een van de grootste moderne kunstenaars. Toen ik hoorde dat ze uit een schetsboek met 65 tekeningen kwam, hapte ik naar adem.”[4] 
    • Zelfs hoog tegen de berghelling boven het meer van Lugano hangt de hitte van het diepe zuiden. Alles is hier Italiaans. De namen, de rood- en geelgekleurde huizen, de mensen en het landschap met palmen en cipressen. Maar wij zijn nog in Zwitserland, in het exotische bergdorp Montagnola in de punt van Tessin.[5]  
  2. houtsoort afkomstig van een cipres
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders
80 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen