Naar inhoud springen

chromosoom

Uit WikiWoordenboek
  • chro·mo·soom
  • van Duits Chromosom, in de betekenis van ‘drager van erfelijke eigenschappen in celkern’ aangetroffen vanaf 1907 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord chromosoom chromosomen
verkleinwoord chromosoompje chromosoompjes

hetchromosoomo

  1. (biologie) staafachtig lichaampje in de celkern dat drager van erfelijke eigenschappen is
    • Bij de mens hebben de lichaamscellen 23 paren chromosomen, te weten 22 paren autosomen en 1 paar geslachtschromosomen. 
97 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[2]