chromosoom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chro·mo·soom
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘drager van erfelijke eigenschappen in celkern’ voor het eerst aangetroffen in 1907 [1]
  • met het voorvoegsel chromo- en met het achtervoegsel -soom [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord chromosoom chromosomen
verkleinwoord chromosoompje chromosoompjes

Zelfstandig naamwoord

chromosoom o

  1. (biologie) staafachtig lichaampje in de celkern dat drager van erfelijke eigenschappen is
    • Bij de mens hebben de lichaamscellen 23 paren chromosomen, te weten 22 paren autosomen en 1 paar geslachtschromosomen. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen