chromeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chro·me·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
chromeren
chromeerde
gechromeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

chromeren

  1. overgankelijk met een laagje chroom bedekken, verchromen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.