chroma

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chro·ma
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord chroma chroma's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

chroma v / m

  1. (scheikunde) (landbouw) vloeibeeld op filtreerpapier dat een beeld geeft van de samenstelling van de opgezogen stof
    • Een chroma is een beeld van de bodem met informatie over de beschikbare stoffen en activiteit van het bodemleven. De vorm, kleuren en texturen van de chroma geven de bodemconditie weer. [2]
    • Een chroma geeft een beeld over de kwaliteit van bijvoorbeeld een bodem of compost. Een chroma bestaat uit vier zones. Uit elke zone is een bepaald kwaliteitsaspect van de grond af te lezen. [3]
    • De voorbehandelde mest wordt op 1 punt van het papier opgezogen. Verschillende stoffen in de mest komen op verschillende afstand van het middelpunt terecht en worden middels zilvernitraat zichtbaar gemaakt. Een chroma (…) is daardoor een ronde figuur met een aantal cirkels. Men leest aan de kleur van de cirkels en aan de aanwezige radialen (lijnen vanuit het centrum naar buiten) af wat de kwaliteit van de mest is. [4]
  2. kleur, vooral opgevat als afwijking van een even lichte of donkere tint grijs
    • De chroma van een kleur is de intensiteit van de kleuring. [5]
    • Misschien ga ik ook schilderen, abstract, en een nieuwe kleur ontwikkelen – Antonius Blauw, ik probeer de Leegte een passend coloriet te geven, een chroma die het immateriële glans geeft. [6]
  3. (muziek) interval van een halve toon
    • Nu geloof ik, dat de uitgebreidere chroma der instrumenten tot klankverweekelijking heeft bijgedragen, al is ze er natuurlijk niet de uitsluitende oorzaak van. [7]
  4. (muziek) teken waarmee in het notenschrift een verhoging of verlaging wordt aangegeven
Hyponiemen
Verwante begrippen
enkelvoud meervoud
naamwoord chroma -
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als onzijdig zelfstandig naamwoord.

Zelfstandig naamwoord

chroma o

  1. (muziek) toepassing van verhogingen en verlagingen in een compositie
    • Reeds bij Wagner - om niet nòg verder terug te gaan - dreigt er een kloof te gaan gapen tussen de harmonie, met name het hoog opgevoerde chroma, en de melodieën. [8]
    • Maar tusschen een diatonisch Madrigaal en een chromatisch Madrigaal ligt een zulke onbeschrijfbare afstand als enkel een nieuwe effusie van den Geest en niet een simpele wijziging der techniek toelaat. Toen trad niet alleen het onbekende chroma op doch ook de onbekende mensch en zijne onbekende spraak. [9]

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Werkwoord

vervoeging van
chromer

chroma

  1. derde persoon enkelvoud verleden tijd (passé simple) van chromer